Hij huurt een garage in een steegje achter een groot appartementsgebouw. Pas laat na de middag komt de zon vanachter de gigantische toren tevoorschijn. Dan stalt hij zijn wisselstukken uit op het asfalt van het steegje, en begint te morrelen aan uit elkaar gehaalde bromfietsen. Als vanzelf komen de jonge gasten uit de blokken vlakbij een kijkje nemen; één van hen laat een basketbal kaatsen om zich een houding te geven. Met een ernstig gezicht, alsof hij hen niet ziet, laat hij de uitlaat eens goed knallen, zogenaamd om het roet eruit te krijgen. De donkergrijze rookwalmen stijgen langzaam op in het lage zonlicht, en de jongens ruiken de verbrande benzine vermengd met de zwaarzoete geur van kamperfoelie uit de achtertuintjes. Een oude vriend komt langs, op een fiets, en ze grinniken om een grap van vroeger.