Kuchje

Ja, daar is het weer. Dat irritante kuchje van hem. Ze herkent het nu duidelijk. Eerst schraapt hij zijn keel, met een scherp, ongezond geluidje. En dan komt de kuch, een droge geforceerde ontlading van lucht. Het kuchje heeft bovendien een intonatie naar beneden toe. Het klinkt verveeld, alsof hij wil uitdrukken: okee dan maar, als het per se moet. Ze kan zich niet herinneren dat ze dat kuchje gehoord heeft toen ze elkaar nog maar pas kenden. Misschien was hij zelf meegesleept door de uitzonderlijkheid van die dagen, en was hij zijn eigen kuchje vergeten. En nu is het weer opgedoken, een gewoonte waar hij zich niet bewust van is. Ze staan in de rij voor de kassa van de supermarkt. Ze denkt: ook met hem is het leven zoals ik het me herinner van de saaie dagen van mijn jeugd. Wachten, zuchten, zeuren, kuchen. Er zullen nog vele van deze wachtrijen volgen, en elk van hen zal gemarkeerd worden door dit irritante kuchje. Ze denkt eerst nog, ach, wat doet het ertoe. En dan kucht hij weer.