Daarnet zag ik mezelf rijden op de fiets. Hij kruiste mij op een paar meter afstand. Ik had hem eerst niet opgemerkt. De man had een donkerblauwe jas aan, en droeg ook voor de rest geheel onopvallende kleren. Hij was licht kalend, iets verder gevorderd dan ikzelf, zou ik denken. Hij stampte zijn fiets voort met enige inspanning, waarschijnlijk omdat het een al wat ouder exemplaar was waarvan hij dringend eens de ketting zou moeten smeren of de banden oppompen. Ik zou nooit aandacht aan hem besteed hebben als ik niet in zijn richting had moeten kijken voor het verkeer dat voorrang had. De man die mezelf was, bewoog zich lijnrecht en schijnbaar argeloos voort als één van de knikkers in het flipperkastspel van het straatbeeld. Hij was in een oogwenk ook weer uit het zicht, om zijn tocht voort te zetten waarop hij onopgemerkt in de ooghoeken van andere mensen verschijnt en weer verdwijnt. Dus dat ben ikzelf, dacht ik, en het was moeilijk om enige ontgoocheling van me af te schudden.